Rohmer blijft in alle omstandigheden trouw aan het type film waarmee hij in de jaren zestig debuteerde: een fijnzinnige ontleding van verliefde gevoelens. Deze film, de tweede in de reeks Comédies et proverbes, draagt als ondertitel een Franse spreuk van Jean de La Fontaine: “Quel esprit ne bat pas la campagne? Qui ne fait châteaux en Espagne?” – een passende verwijzing naar de luchtkastelen die de personages bouwen.
Le Beau Mariage is een hoogst charmante praatfilm over het buitenissig gedrag waartoe verliefdheid kan leiden. Opmerkelijk is dat de misverstanden niet voortkomen uit blinde passie of onbedwingbare lust, maar uit een overdreven rationele benadering van de liefde.
De heldin Sabine (gespeeld door Béatrice Romand die als 16-jarige in Le Genou de Claire Jean-Claude Brialy probeerde te verleiden) is een jonge vrouw uit de provincie die in Le Mans in een antiekzaak werkt en tegelijk aan haar thesis kunstgeschiedenis werkt. Ze is het beu om met getrouwde mannen affaires te beginnen waarin voor haar geen enkele toekomst is weggelegd. In de eerste scène van de film stapt ze boos uit bed van haar minnaar, een kunstschilder (Féodor Atkine) en roept ze hem, half provocerend en half impulsief toe: “Je vais me marier.” Wat later ontmoet ze op een bruiloftsfeestje een vijfendertigjarige advocaat, Edmond (André Dussollier). Hun tête-à-tête duurt niet lang, want hij wordt door een dringend telefoontje teruggeroepen naar Parijs. Toch is zij er rotsvast van overtuigd dat er tussen hen iets “magisch” is gebeurd; in die overtuiging wordt ze nog gesterkt door haar vriendin en vertrouwelinge Clarisse (Arielle Dombasle). Sabine poneert dat de advocaat, een gegoede Parijzenaar, haar uit haar provinciale middenstandsbestaan kan tillen. Het probleem is echter dat de veronderstelde echtgenoot resoluut weigert zich te gedragen zoals ze dat in haar strategie heeft uitgestippeld, waardoor ze een reeks nederlagen, ontgoochelingen en vernederingen moet doorstaan.
Je moet inderdaad Eric Rohmer heten om rond zo’n gegeven een film te weven die één en al finesse en elegantie is. De heldin beweegt zich voortdurend op de rand van het ridicule; ze is grappig, tegelijk irriterend en aandoenlijk, maar nooit belachelijk. De regisseur kijkt niet op haar neer maar verbergt evenmin de absurditeit van haar plannenmakerij, die geen rekening houdt met de vraag of de ander wel bereid is haar dromen te delen. Rohmer toont duidelijk bewondering voor de risico’s die ze durft te nemen en de moed waarmee ze tot het uiterste van haar idee-fixe gaat.
De moderniteit van Rohmer schuilt precies in het feit dat hij niet doet wat van een cineast van zijn tijd verwacht werd, zoals zijn heldin zich ook niet gedraagt zoals het een eigentijdse jonge vrouw betaamt. Als overtuigd katholiek laat Rohmer haar zelfs bidden in de kerk om haar droom – “Je veux qu’il me désire” – in vervulling te zien gaan. Terwijl haar moeder erop wijst dat het de gewone gang van zaken is dat jongelui eerst samenwonen en pas daarna aan trouwen denken, ziet Sabine rondom haar zoveel mislukte huwelijken van mensen die toch eerst samengewoond hebben. Waarom het niet andersom proberen?
Rohmer moraliseert niet maar is wel een zelfverklaarde moralist. Zelf zei hij daarover: “Ik gebruik de term moralist in de betekenis die er in de zeventiende eeuw aan werd gegeven, iemand die sentimentele roerselen beschrijft maar zelf geen oordeel velt.”
Rohmer daarom als een reactionair omschrijven, lijkt me een al te simplistische oplossing. Een dwarsligger die onverstoord zijn eigen weg gaat, lijkt een juistere typering. Tijdsgebonden begrippen als “behoudsgezind” en “progressief” doen hier trouwens weinig ter zake. Le Beau Mariage is een psychologische, noch een sociologische studie, wel een bijzonder speelse film vol onderliggende ernst, of een zeer serieuze film vol heimelijke frivoliteit.
Zoals vele helden van Rohmer, schippert Sabine tussen conformisme en creatieve drang, tussen stabiliteit en avontuur, en probeert ze op een radicale manier een ander mee te sleuren in haar egocentrische preoccupaties. Anders dan in films als Le Genou de Claire of La Femme de l’aviateur worden de vertolkingen Le Beau Mariage niet gekenmerkt door een uitgesproken naturel, maar cultiveren ze een wat instabiele theatraliteit, alsof de acteurs hun personage niet volledig omarmen. Zoals altijd bij Rohmer zitten de personages stevig verankerd in hun sociaal milieu, hier de kleine bourgeoisie van het oude Le Mans, een wereld van commercie en ambachten.
In Le Beau Mariage is elk beeld, elke camerabeweging, elke opname en tegen-opname tot de essentie herleid en scheert de kunst van de découpage – in de betekenis van het zo vloeiend mogelijk in beeld zetten van de handelingen, zodat de toeschouwer de montage van de verschillende scènes en shots vergeet – hoge toppen.
Zoals wel vaker bij deze regisseur is Le Beau Mariage een film die je ofwel koestert ofwel resoluut afwijst.
- Patrick Duynslaegher
Image gallery
Generiek
Éric Rohmer
Ronan Girre, Simon des Innocents
Béatrice Romand, André Dussollier, Féodor Atkine
Éric Rohmer
Bernard Lutic
Cécile Decugis
Les Films Du Losange
Meer informatie
Frans
Frankrijk
1982