Rohmer maakt van zijn heldin Jeanne (Anne Teyssèdre) een leerling-Kantiaan: een filosofiedocente die, geconfronteerd met een schoolvoorbeeld – het verhaal van een gestolen halsketting waarbij een jong meisje haar stiefmoeder beschuldigt – de grenzen van kennis en de relativiteit van de waarheid ervaart. Deze “Grenzen der Erkenntnis” verwijzen naar Kants idee dat het menselijk verstand niet alles kan doorgronden. Het meisje in kwestie, Natacha, is pianiste, net als Florence Darel, de actrice die haar vertolkt. De film wordt dan ook opgeluisterd met composities van Robert Schumann en Ludwig van Beethoven.
Jeanne, die zich nergens echt thuis voelt, is wellicht de Rohmer-heldin die het vaakst verhuist. We zien haar voortdurend haar spullen – kleren en schaarse bezittingen – bijeenrapen om van de ene plek naar de andere te trekken: het rommelige appartement dat ze deelt met haar tijdelijk afwezige en slordige minnaar; haar eigen kleine flat in Parijs die ze aan een nicht heeft uitgeleend; het luxueuze appartement van de jonge muziekstudente Natacha, die ze op een feestje ontmoet en met wie ze al snel vriendschap sluit en vertrouwelijkheden deelt; en het buitenverblijf op het platteland van Natacha en haar vader Igor (Hugues Quester). Die laatste heeft een vriendin, Eve (Eloïse Bennett), die niet ouder is dan zijn dochter en door haar wordt verafschuwd. Jeanne krijgt gaandeweg het gevoel dat haar nieuwe vriendin haar doelbewust heeft aangetrokken om de plaats van Eve in het leven van haar vader in te nemen.
Rond dit ogenschijnlijke complot weeft Rohmer een moderne marivaudage, waarin het triviale en het sprookjesachtige – zoals de symbolische betekenis van het gestolen of verloren halssnoer, een klein complot binnen het grotere geheel – fijntjes met elkaar verweven worden. Naar gebruikelijk tateren de personages er duchtig op los en proberen ze hun gevoelens zo helder mogelijk te verwoorden, wat hen tegelijk tot een zekere mate van zelfkennis brengt.
Rohmers ironische toon compenseert het soms irritante gebabbel en gefilosofeer van zijn geaffecteerd “bon chic, bon genre”-kwartet – mannen met een blauwe trui losjes om de schouders geknoopt, vrouwen in horizontaal gestreepte T-shirts – door een luchtige benadering die ook visueel wordt doorgetrokken in de pastelkleuren van de interieurs. De speelse praatpartijtjes hebben soms iets pedants, maar ook dat wordt door Rohmer zelf op de korrel genomen, bijvoorbeeld in de lange scène waarin Natacha, Eve en Igor discussiëren over Kants synthetische oordelen en de fenomenologie van de Oostenrijks-Duitse filosoof Edmund Husserl. Conte de printemps is zeker geen zware intellectuele oefening. Rohmer maakt er veeleer een speelse, licht spottende observatie van intellectuelen van – een liefdevolle satire op mensen die alles willen verklaren.
Tot slot is het een van de zeldzame films van Rohmer die niet in het 1.33:1 formaat werd gedraaid, maar in 1.66:1.
- Patrick Duynslaegher
Image gallery
Generiek
Éric Rohmer
Anne Teyssèdre, Hugues Quester, Florence Darel
Éric Rohmer
Luc Pagès
María Luisa García
Margaret Ménégoz
Compagnie Eric Rohmer (CER)
Meer informatie
Frans
Frankrijk
1990