De tweede en derde film in de carrière van Rohmer, La Boulangère de Monceau (1963) en La carrière de Suzanne (1963), zijn een korte en middellange film die hij realiseerde in 1963. Samen vormen deze werken de eerste twee delen van zijn cyclus Contes moraux.
La Boulangère de Monceau
De protagonist van deze eerste morele vertelling is een jonge Parijzenaar die zijn zinnen zet op een lange jonge vrouw, die hij geregeld op straat kruist. Aanvankelijk durft hij haar niet aan te spreken, en wanneer hij uiteindelijk toch de moed vindt om een afspraakje te maken, daagt ze niet op. Enkele weken later probeert hij een bakkersmeisje te versieren, wat hem lukt: hij legt een rendez-vous vast. Wanneer hij echter plots de eerste jonge vrouw opnieuw tegenkomt, laat hij zijn nieuwe verovering zonder aarzelen vallen.
In deze kleine film worden reeds de grote thema’s van Rohmer ontwikkeld: we volgen de bewegingen van een voetganger in een afgebakende ruimte, hier de straten van het 17e arrondissement. De wandelaar is bij Rohmer ook een voyeur, verscheurd tussen toevallige ontmoetingen (de brunette bakkerin) en ontmoetingen die hij bewust probeert uit te lokken (de droomblonde). Het schema van Ma nuit chez Maud in een notendop.
La Carrière de Suzanne
In vergelijking met zijn nouvelle vague-collega’s (Jean-Luc Godard, François Truffaut, Jacques Rivette en Alain Resnais) zocht Rohmer zijn inspiratie veeleer in literatuur en filosofie dan in cinema. Net als bij Yasujiro Ozu en Jean Renoir schuilt zijn kracht niet in cinematografische bravoure, maar in zijn kunst om met de camera zo nauwkeurig mogelijk de emotionele waarheid van zijn karakters bloot te leggen. Dat komt voor het eerst echt tot uiting in La Carrière de Suzanne.
De hoofdpersoon is de gereserveerde achttienjarige student Bertrand (Philippe Beuzen), die weinig succes heeft in de liefde en daarom de cynische, misprijzende houding van zijn iets oudere vriend, Guillaume (Christian Charrière) nabootst.
Zoals in veel nouvelle vague-films lijken de protagonisten hun dagen door te brengen op café – tenzij ze natuurlijk door de Parijse straten slenteren – waar ze niet alleen praten, discussiëren, observeren en drinken, maar ook lezen, studeren, eten en meisjes versieren. Ze doen er kortom alles aan om te ontsnappen aan de eenzaamheid van hun benepen kamer.
Op een dag ontmoet de ‘Don Juan’ Guillaume in zo’n café (in Frankrijk ook wel zinc genoemd – oorspronkelijk een term voor de toog, maar tegenwoordig gebruikt voor het hele café) Suzanne (Catherine Sée), met wie hij een gesprek aanknoopt. Al snel nodigt hij haar uit voor een feestje bij hem thuis, met de bedoeling haar te verleiden, wat hem ook lukt. Hun relatie kent echter zowel hoogte- als dieptepunten, waarvan Bertrand de hulpeloze getuige is.
Bertrand is tegelijk een komisch en aandoenlijk personage. Zo weigert hij aanvankelijk steevast een uitnodiging van Guillaume voor een cafébezoek of een surboum (een spontaan huisfeestje), met het excuus dat hij moet studeren of de volgende dag een examen heeft, om vervolgens toch telkens overstag te gaan en de uitnodiging te aanvaarden. De dynamiek van hun vriendschap is op dit patroon gebaseerd.
Bertrand ergert zich aan wat hij beschouwt als de losse moraal en vrijgevochten opvattingen van Suzanne, terwijl Guillaume hem probeert te koppelen aan Sophie (Diane Wilkinson), een vriendin van haar. Ondertussen hebben de twee maten er geen moeite mee om Suzanne – die financieel beter gesteld is – de rekeningen te laten betalen.
De vriendschap tussen Guillaume en Bertrand heeft ook een autobiografische dimensie: in de tegenstelling tussen de cynische verleider, die zowel zijn veroveringen als zijn bons mots aaneenrijgt, en de dromerige jongeman die zijn kwaliteiten nauwelijks durft te benutten, weerspiegelt Rohmer zijn eigen relatie met Paul Gégauff, de dialoogschrijver van Le Signe du Lion.
Op een bepaald moment zet Guillaume Bertrand ertoe aan om zijn vermeende paranormale gaven te demonstreren, zoals het doen bewegen van de tafel waaraan ze zitten. Het is de eerste keer dat Rohmer in zijn verder realistische kronieken een bovennatuurlijk element introduceert – iets wat hij later vaker zal doen en dat een hoogtepunt bereikt in Le Rayon vert.
Rohmer was zelf niet geheel tevreden over de technische tekortkomingen van deze eerste twee morele vertellingen. Hoewel ze al de thematiek van trouw en de cartesiaanse logica van zijn latere werk bevatten, missen ze nog de psychologische verfijning die zijn latere werk zal kenmerken.
- Patrick Duynslaegher