Op formeel niveau wijkt de proloog af van Rohmers gebruikelijke esthetiek: de snelle beeldwisselingen en abrupte overgangen hebben een bijna videoclipachtige energie, alsof hij de – voor zijn doen – vrij expliciete seksscènes wil loskoppelen van zijn gebruikelijke ascetische stijl en preutse houding tegenover het puur lichamelijke.
Het vervolg van de film speelt vijf jaar later. Félicie twijfelt of ze bij haar baas Maxence (Michel Violetti), een kapper in Nevers, moet intrekken of haar relatie met haar vriend Loïc (Hervé Furic), een jonge intello in een Parijse bibliotheek, moet voortzetten. Beide aanbidders menen het goed – ze vertegenwoordigen respectievelijk pragmatisme en rationaliteit – maar haar liefde is niet groot genoeg om haar leven met een van hen te delen. Zoals ze zelf zegt: “Ik kan niet samenwonen met een man op wie ik niet stapelverliefd ben.”
Terwijl vrijers en verwanten haar proberen duidelijk te maken dat de kans miniem is dat ze haar grote liefde zomaar op straat zal tegenkomen, blijft ze geloven in zo’n miraculeuze toevalligheid. Met een bijna christelijke berusting wacht ze op een speling van het lot. Haar zoektocht naar het “onmogelijke” leidt ook tot gesprekken over Victor Hugo, Pascal en in het bijzonder Plato’s metempsychose – de leer van de zielsverhuizing. Hoewel Félicie veel minder ontwikkeld is dan haar boekenwurmvriend en diens belezen kring, voelt ze de dingen intuïtief misschien wel beter aan. Dat spanningsveld tussen emotie en intellect is een constante in Rohmers werk.
Onder de geduldige observatie van het dagelijks leven van deze geobsedeerde heldin (verplaatsingen met metro en bus, wandelingen en familiebezoeken) zit een romantisch sprookje verstopt. Het duurt even voor dit narratief zich ontvouwt, maar wanneer dat gebeurt, krijgt dit tweede deel in de cyclus Contes des quatre saisons een betovering die even discreet als fragiel is. Rohmer, toen al 78, beheerst dat geheim als geen ander.
Om deze ode aan het onwaarschijnlijke toeval vorm te geven kiest hij voor een stijl die authenticiteit uitstraalt: gedraaid op 16 mm, ongepolijste beelden, gedesatureerde kleuren en een grauw palet dat perfect aansluit bij de middelmatigheid en troosteloosheid van de voorstedelijke en provinciale locaties die Félicie doorkruist. Charlotte Véry belichaamt met een ontroerende naturel haar alledaagse tocht door de woestijn, met de nadruk op gemis, monotonie en existentiële onzekerheid. Het einde kan alleen zo vreugdevol zijn omdat de weg ernaartoe zo doordrongen is van melancholie.
- Patrick Duynslaegher
Image gallery
Generiek
Éric Rohmer
Sébastien Erms
Charlotte Véry, Frédéric van den Driessche, Michel Voletti
Éric Rohmer
Luc Pagès
Mary Stephen
Margaret Ménégoz
Compagnie Eric Rohmer (CER)
Meer informatie
Frans
Frankrijk
1992