Eric Rohmer, de aartsvader van de moderne praatkomedie, tekent met deze zomerse badinage zijn beste film in jaren. Conte d’été vormt het derde luik (na de lente en de winter) van de cyclus Contes des quatre saisons.
Rohmer spint in al zijn films variaties op een reeks terugkerende thema’s, motieven en situaties. De rijkdom van zijn filmografie schuilt precies in de verscheidenheid en subtiele modulaties binnen die zelfopgelegde, schijnbaar eenvoudige schema’s. Rond de aarzelingen van zijn welbespraakte protagonisten weeft hij theoretische beschouwingen over liefde en relaties, die dankzij hun elegante formulering verfrissend en spontaan overkomen.
Conte d’hiver draaide om een jonge vrouw die moest kiezen tussen drie mannen. In Conte d’été verschuift het perspectief: hier is de held een jongeman, Gaspard (Melvil Poupaud), die tijdens zijn vakantie in het badstadje Dinard, aan de Normandische kust, moet kiezen tussen drie jonge vrouwen: het ideale meisje Léna (Aurelia Nolin), het sensueel meisje Solène (Gwenaëlle Simon) en de vertrouwelinge Margot (Amanda Langlet).
Deze student wiskunde en muzikant wacht op de komst van zijn geliefde Léna wanneer hij op het strand wordt aangesproken door Margot, een etnologiestudente die een vakantiejob heeft in de snackbar van haar tante. Ook haar vriendje is afwezig. Margot voelt zich al snel aangetrokken door de gereserveerde Gaspard die toegeeft dat Léna hem niet zo fijn behandelt. Hun aanvankelijk platonische relatie wordt echter verstoord door de komst van de voluptueuze Solène.
Gaspard probeert zijn wisselende gevoelens zo eerlijk en logisch mogelijk te volgen, maar raakt steeds verder verstrikt in zijn eigen redeneringen. Uiteindelijk loopt alles zo ingewikkeld dat hij drie keer bot vangt. Zijn fundamentele probleem is dat hij niet weet hoe hij zichzelf kan zijn. Hij functioneert noch in een groep, noch in een intieme situatie met één van de meisjes. Zijn onzekerheid maakt hem besluiteloos. Het is alsof hij zich laat leiden door wat hij zelf “l’habitude du hasard” noemt. Door zijn aarzelingen en tegenstrijdigheden wordt hij door de vrouwen afwisselend beschreven als naïef, cynisch, onschuldig en gewiekst. Rohmer zet hem bijna neer als een “antiheld van de wil”, iemand die keuzes uitstelt tot de realiteit ze voor hem maakt.
Poupaud – later ook een vaste waarde bij Raoul Ruiz en François Ozon – zet hier een van de sterkste vertolkingen uit zijn gevulde carrière neer. Met zijn natuurlijke charme en ingetogen spel verleent hij zijn wispelturige personage een zekere integriteit, terwijl diens gedrag tegelijk opportunistisch, egocentrisch en licht manipulatief blijft. Opmerkelijk is dat Poupaud hier de enige jonge mannelijke protagonist vertolkt in Rohmers oeuvre. Misschien speelt zijn eigen fluïde houding tegenover identiteit daarin een rol: hij sluit perfect aan bij de drie “Rhomeriennes” die zich met zoveel gratie door de film bewegen. Rohmer benut bovendien bewust de gelijkenis tussen acteur en personage: net als Gaspard is Poupaud muzikant, wat de grens tussen fictie en werkelijkheid verder vervaagt.
Zoals steeds weet Rohmer het ogenschijnlijk banale in liefdesrelaties om te vormen tot iets betoverend en precieus literair. Hij filmt de tribulaties van zijn zoekende, introspectieve jonge held met een sierlijkheid en lichtheid die bijna verhullen hoe zorgvuldig deze rondedans van toevalstreffers en objectieve wetmatigheid is geconstrueerd.
De film opent met Gaspard, die met reiszak en gitaar aanmeert in Dinard. In de kamer die hij toevallig via een vriend kon betrekken, installeert hij meteen zijn gitaar en rangschikt hij met grote precisie zijn muziekcassettes. Muziek zal door de film heen een belangrijke rol spelen: ze doorkruist, beïnvloedt of belemmert soms de amoureuze verwikkelingen, tot Gaspard uiteindelijk tot een keuze wordt gedwongen.
Terwijl hij op Léna wacht, vult hij zijn dagen met lange wandelingen, gesprekken en vertrouwelijke uitwisselingen met Margot. Hun tochten langs de rotskust van Dinard illustreren perfect hoe Rohmer zijn personages in hun natuurlijke omgeving integreert – een omgeving die ook de losse, ogenschijnlijk moeiteloze mise-en-scène bepaalt. Opgebouwd als een kroniek – waarbij de dagen van de twee vakantiemaanden als in een dagboek verstrijken – baadt de film in een warme zomerse sfeer. Daarmee sluit hij aan bij eerdere werken als La Collectionneuse, Le Genou de Claire en Pauline à la plage.
Rohmer kon bovendien rekenen op vier jonge acteurs die elkaar tijdens het heerlijke woordenspel perfect van repliek dienen.
Hij gaat zelfs zo ver dat hij quasidocumentaire zijpaden in de fictie integreert, vaak rond Gallisch-Bretonse etnologie en zeemansliederen over piraten en boekaniers. Zo is er het lied dat Gaspard ter plekke componeert voor zijn Dulcinée. Via deze omwegen wordt Conte d’été misschien wel Rohmers meest autobiografische film: een werk waarin hij het ontstaan van een levensbestemming voelbaar maakt.
Om een idee te geven van Rohmers consequent onopvallende stijl wordt vaak gezegd dat niemand zich ooit een camerabeweging uit zijn films herinnert. Ironisch genoeg bevat Conte d’été net wel een complexe camerabeweging – een moment waar de regisseur zelf in interviews trots op was.
Met zijn 1 uur 53 minuten is dit bovendien de langste film binnen de drie cycli die het grootste deel van zijn oeuvre in beslag nemen. Maar ondanks die lengte blijft het, van begin tot eind, puur genieten.
- Patrick Duynslaegher
Image gallery
Generiek
Éric Rohmer
Philippe Eidel, Sébastien Erms
Melvil Poupaud, Amanda Langlet, Gwenaëlle Simon
Éric Rohmer
Diane Baratier
Mary Stephen
Margaret Ménégoz, Françoise Etchegaray
Canal+
Meer informatie
Frans
Frankrijk
1996