08 19 okt. '24
B8ae8737 7dca 4244 b222 18ae5dbd6bff

Tomás Gutiérrez Alea

La última cena (The Last Supper)

Editie 1981
120' - 1976 - Drama - Taal: Spaans
Regisseur: Tomás Gutiérrez Alea Componist: Leo Brouwer Met: Nelson Villagra, Silvano Rey, Luis Alberto García
TOMAS GUTTERIEZ ALEA
Studeerde rechten te Havana. In de periode '50-'53 deed hij filmstudies te Rome en werkte in '55 voor een filmjournaal. Daarna lid van "Nuestro Tiempo" een cubaanse kulturele organisatie waar heel wat revolutionaire kineasten deel van uitmaakten, o.a. Jose Garcia Espinosa, met wie hij de filmafdeling van het revolutionair leger op touw zette. Nog in '59 realiseerden ze samen de twee eerste "Castro-films": ESTA TIERRA NUESTRA en SEXTO ANIVERSARIO. T.G. Alea maakt de eerste speelfilm van na de revolutie nl. HISTORIAS DE LA REVOLUCION ('60) en werd al heel snel als belangrijkste cubaanse kineast beschouwd. Daarna komen LAS DOGE SILLAS (Twaalf Stoelen) ('62), CUMBITE ('64), LA MUERTE DE UN BUROCRATA ('66), MEMORIAS DEL SUBDESARROLIO ('69), UN PELEA CUBANA CONTRA LOS DEMONIOS ('71), LA ULTIMA CENA ('76) en LOS SOBREVIVIENTES ('78).

Er is een periode geweest (natuurlijk tijdens de jaren '60) dat de cubaanse film aan bod kwam, dankzij de toen nog bloeiende filmclubs en een toen nog interessantere programmatie op de beide TV-netten. Naast één der eerste neo-feministische films LUCIA, wordt de cubaanse cinematografie veelal (te dikwijls, te gemakkelijk) bij ons gelijkgesteld met het filmwerk van T.G. Alea. Sinds het begin der jaren '70 is het stil geworden rond Cuba. Niets is minder waar; want films zoals GIRON ('72) van Manuel Herrera, DE CIERTA MANERA ('71) van Sara Gomez, CANTATE DE CHILE ('75) van Humberto Solas bewezen het omgekeerde. Het tweede deel van de jaren '70 begon met één van de grootste cubaanse films: LA ULTIMA CENA, wat ook de terugkeer betekende van T.G. Alea, die gedurende vijf jaren geen langspeelfilms meer had gedraaid. Het is een aangrijpende, luciede en episch historische film over het spaans kolonialisme in Cuba op het einde van XVllIe eeuw - op het ogenblik dat in Haïti een slavenrevolte uitbrak, met als gevolg de ineenstorting van de plaatselijke suikerrietproduktie en dat Cuba een plotselinge meer aanvraag voor suiker moest verwerken. De film is gesitueerd tijdens de Goede Week: een graaf grootgrondbezitter heeft de ontzaglijke pretentie de rol van Kristus in die dagen te willen nabootsen. Hij zal de voeten van de zwarte slaven wassen, met hen avondmalen, hen een dag vrij geven en aan één slaaf de vrijheid schenken, maar de plaatselijke slavendrijver weet niets over deze beslissingen. De slaven reageren, de opstand breekt uit, de hoofden vallen.

LA ULTIMA CENA is dramatisch een erg sterke film, met ijzersterke dialogen en een historische analyse die elke neo-koloniaal en racist onderuit vloert. Vooral de interpreterende monoloog van de graaf over de diskussie tussen Fransiscus van Assisi en Broeder Leo omtrent het ware geluk (= lijden) is fenomenaal goed opgebouwd en beschrijft in een paar minuten de kern van de schandalige hoogmoed van de blanke, zgn. religieus-missionerend ingestelde kolonisator tegenover de inheemse bevolking en de geïmporteerde slaven uit Afrika. In dezelfde lijn ligt de slavendorpspastoor, die tracht tijdens de opstand de zaken recht te zetten. Hij faalt evenwel in zijn bemiddelingspogingen om de huid van de zwarten te redden. Vooral omdat hij door zijn te sterke bindingen met de wereldlijke macht niet konsekwent de zijde van de armen en verdrukten kan kiezen. De cynische graaf belooft, als toppunt van zijn religieuze hypocrisie, een kerk te bouwen op de heuvel waar de hoofden van de opstandige negerslaven op lange palen werden gespiest.

De wereld, waarin LA ULTIMA CENA zich afspeelt, wordt bewoont door ongelijke personen. De graaf (de macht), de slavendrijver en slavenjager (de verdrukking), de specialist in suikerverwerking (een typisch liberaal iemand, die afwijst wat gebeurt, maar zich nooit zal kompromitteren), de slaven (de uitgebuiten) en de pastoor (barmhartig, maar fataal verbonden met het rad van de macht). Op het ogenblik waarop T.G. Alea al deze elementen op het einde van de Goede Week in beweging zet, komt hij op een terrein, dat tot dan privaatbezit was gebleven van een geniale Luis Bunuel. Het feit dat Alea deze proef met goede afloop doorstaat bewijst het niveau, dat hij als filmregisseur heeft bereikt.

LA ULTIMA CENA ontwikkelt zich op drie duidelijke niveau's: op dat van de verhoudingen in de produktiestadia, op dat van de godsdienstige discussies en op dat van de klassenstrijd. De versmelting van deze fenomenen maakt het esthetische en het artistieke succes van deze film. De auteurs hebben erop gewezen dat ze niet getracht hebben een periode plastisch voor te stellen, maar wel in de eerste plaats de atmosfeer ervan tot leven te brengen. Wanneer wij de spaanse schilderkunst uit de XVIIIe eeuw voor ons zien, baadt die in een zwak vrij duister licht, zoals dit hier ook het geval is, vnl. in de scène van het laatste avondmaal. Hiermee kontrasteert de atmosfeer van de buitenopnamen, waar een levendig, tropisch licht de bovenhand heeft. Deze tegenstelling wordt in LA ULTIMA CENA door een bewuste, vrij konventionele stijl ondersteund: een niet zo zeer langzaam als

Image gallery

C7dbf661 c28e 4c1a 82bb 1bfb772d1bbe
B8ae8737 7dca 4244 b222 18ae5dbd6bff

Generiek

Regisseur

Tomás Gutiérrez Alea

Componist

Leo Brouwer

Met

Nelson Villagra, Silvano Rey, Luis Alberto García

Scenario

Tomás Gutiérrez Alea, Maria Eugenia Haya

Cinematograaf

Mario Garcia Joya

Producent

Santiago Llapur, Camilo Vives

Meer informatie

Taal

Spaans

Productielanden

Cuba

Scenario gebaseerd op

"El ingenio" (Manuel Moreno Fraginals)

Jaar

1976

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van nieuws over het festival, de films en de filmmakers, en onze activiteiten doorheen het jaar?