Wide Angle - Een rendez-vous tussen vragen en vraagtekens
Eén en hetzelfde is: levend en dood, en wakend en slapend, en jong en oud; immers, dit hier is, omslaand, dat, en deze, omslaand, dit.
CHORUS: It is a knot no one can untie.
Persona (1966), geregisseerd door Ingmar Bergman, speelt zich af in een veld van verschillende polen: licht tegenover donker, stilte tegenover spreken, waarheid tegenover leugen, reëel tegenover irreëel Het verschil lijkt op het eerste gezicht duidelijk. In de proloog verschijnt een filmrol en een reeks flikkerende beelden. Het leidt de kijker binnen in de materialiteit van de film, het object, dat zichzelf omwentelt in een fictie: een nieuwe wending, een nieuwe illusoire laag. Een nieuwe afdekking?
Het licht van de schijnwerpers valt in het opgemaakte gezicht van Elisabet (Liv Ullmann) tijdens haar vertolking van Elektra. Haar zwarte dunne wenkbrauwen staan als typografische tekens op haar gezicht gekalkeerd. Haar huid is bedekt met vette theatermake-up en klammig onder de hete lampen. Verward, alsof ze gewekt wordt uit een trance, draait ze haar gezicht weg. Ze zwijgt. Door de voice-over van de hoofddokter van het ziekenhuis waar ze verblijft, wordt de kijker meegegeven dat ze in de lach is geschoten.
De twee hoofdpersonages, actrice Elisabet Vogler en zuster Alma (Bibi Andersson) die haar verzorgt, staan tegenover elkaar als een begrippenpaar: Elisabet, die besluit te zwijgen uit onvrede met haar leven als actrice, en Alma, die tegen haar spreekt. Het zwijgen van Elisabet volgt uit eenzelfde soort zwart-witte redenering: als spreken gelijk staat aan liegen, opaak worden, een masker opzetten, dan staat zwijgen gelijk aan de waarheid, zichtbaar worden, doorzien kunnen worden.
Het probleem dat zich stelt voor Elisabet is precies haar onvrede met de lagen van afdekking van de ‘werkelijkheid’. In haar geval, een afkeer van het doen alsof die zich op een extreme manier uit in een complete verwerping van spreken. Om niet meer te spreken — om nooit meer te spreken — om leugenachtigheid te vermijden, lijkt een logische oplossing. Een rol spelen is liegen. Acteren is liegen. Spreken is liegen. Daartegenover staat Alma. Zij kan zich moeilijk voorstellen waar Elisabet precies moeite mee heeft. Alma spreekt overvloedig. Tegenover de stilte van Elisabet is ze verleid om allerlei bekentenissen te doen, om zichzelf te ‘ontmaskeren’.
Daar begint de beweging: het verhullen en het onthullen. Alma liegt, ze zegt dat ze trouw is aan haar verloofde, en komt dan weer in het reine door toe te geven dat ze seks heeft gehad met een jongen op een strand. Op dezelfde manier verhult Elisabet zich in haar stilte, om dan ontmaskerd te worden. Via een brief wordt duidelijk dat ze helemaal niet zo’n vriendelijk luisterend oor is als eerst gedacht. Dat doet de verhouding tussen de twee wankelen. En met het wankelen van hun vriendschap komt ook de film tot wankelen. Scènes lijken dromen te zijn, maar worden nooit definitief bevestigd als werkelijk ‘gedroomd’. Als Elisabet nee schudt wanneer Alma haar vraagt of ze gisteren in haar kamer was, is dat dan de waarheid?
Dingen die ostentatief tegenover elkaar staan, zijn evengoed dingen die door elkaar heen schemeren en zich in de knoop werken met andere paradoxen. Dat wordt al aangekondigd in de proloog van de film. Wat doden lijken te zijn, blijken levenden die wakker schieten wanneer de telefoon rinkelt. Een van hen, een jongen, trekt het dunne witte laken waarin hij opgebaard lag over zijn schouder en hoofd, zodat zijn voeten bloot komen te liggen, woelend alsof hij gewekt wordt uit een diepe slaap. Het vormt een vraagteken dat over de rest van de film hangt: iemand met gesloten ogen kan slapen of dood zijn, en in feite maakt het niet uit, omdat hij uit beide staten weer gewekt kan worden. Net zo is Alma niet het perfecte tegengestelde van Elisabet. Spreken is niet per se het tegengestelde van zwijgen, de waarheid niet van liegen, en zwart niet van wit. Eigenlijk vormen ze een eenheid: “...immers, dit hier is, omslaand, dat, en deze, omslaand, dit”. Zo staat het spelen van rollen — of het maken van films — niet tegenover de waarheid, de diepte van de realiteit niet tegenover de gestileerde afstandelijkheid van Persona.
Ook voor de film als materie geldt dat. Persona is zowel ‘plat’, in de zin dat het een film is, dus per definitie een optische illusie, een lichtspel, als diep. Al snel wordt duidelijk dat de afdaling in de fictie relatief is. Wanneer Alma zwijgt over een gebroken glas, zodat Elisabet er met haar blote voet in trapt, breekt haar beeld letterlijk in twee. Er ontstaat een scheur in de film die zowel de oppervlakkigheid van het beeld aanduidt (het is maar een geprojecteerd beeld) en de diepte van de scheur in de fictie. Er opent zich een gat, dat aan de ene kant de ultieme relativering is, maar dat het verhaal van de twee vrouwen in een oneindige diepte stort. De diepte zit in de oppervlakte, het leven sijpelt binnen.
De stilte van Elisabet kan dan ook geen absolute oplossing bieden aan het probleem waar ze voor staat, omdat het probleem uit de weg proberen te gaan geen oplossing is. Ergens is wat ze poogt te doen gedoemd om te falen zodra ze eraan begint, maar dat is misschien ergens ook de bedoeling. De betekenis zit in het conflict: het zwart en het wit die in hun flikkering grijs worden.
Fictie is niet hetzelfde als liegen. Misschien zit ergens diep in de fictie een vorm van waarheidszoeken, in de hoop dat ergens op de bodem van een rol zich een substraat bevindt waarin iets wordt onthuld zodra de sluiers worden opgelicht. De hoop op iets is wat Elisabet treft, omdat wat ze keer op keer aan het licht brengt niets is.
De film wordt voortgedreven door een voortdurende spanning tussen paradoxale polen die elkaar toch overlappen. Die onmogelijkheid opent een gapend gat waarboven een wereld wordt opgespannen.
Het ziekenhuis waarin Elisabet in het begin van de film is opgenomen is duidelijk een set, en heeft in zijn spaarzaamheid voornamelijk iets weg van een decor voor een theaterstuk. De muren zijn egaal grijs. De enige voorwerpen die in beeld komen zijn een soort props. De telefoon op het bureau van de hoofddokter lijkt bijvoorbeeld enkel te dienen om de verder nogal karakterloze tafel aan te duiden als zijnde ‘bureau’. Verder hangt er niets aan de muren, zijn er geen boekenkasten, geen prullenmanden, geen kapstokken... Geen enkel spoor van ‘reëel’ leven. Alles is een soort aanduiding, zoals bij kinderspelletjes, waar één attribuut genoeg is om te doen alsof. In die zin verschijnen ook de hoofddokter met haar witte jas en Alma met haar verplegersuniform meteen als rollenspelers. Dat keert later terug wanneer Alma tegen Elisabet praat over zingeving. Ze vertelt haar over verplegers die hun hele leven lang verpleger zijn en dat als enig doel hebben in hun leven. Is het eerlijker om vast te houden aan één rol in plaats van meerdere, of geen enkele?
Elisabet trapt in haar eigen val door te kiezen voor de stilte. Stilte is de afwezigheid van woorden, maar niets zeggen (“Zeg ‘niets’”, “Niets”) betekent niet de afwezigheid van een betekenis. Uiteindelijk lijkt ze meer gemeen te hebben met Elektra dan ze zelf (initieel?) denkt. Ook Elektra bevindt zich in een onhoudbare situatie (“CHORUS: It is a knot no one can untie.”) Zij verhoudt zich daartoe door net niet te zwijgen, en zelfs te weigeren om te zwijgen. In Elisabets poging om te stoppen een rol te spelen, speelt ze een andere rol. In haar poging om iets weg te strippen stuit ze steeds dieper op de onmogelijkheid daarvan, misschien uiteindelijk zelfs op de afwezigheid van wat je ‘waarheid’ zou kunnen noemen. De paradox is dat er geen ‘waarheid’ lijkt te zijn, maar dat alles zich er wel toe lijkt te verhouden, wat een duizeligheid en misselijkheid veroorzaakt. Het is niet zo simpel als zeggen dat alles een kwestie is van perspectief, dat de waarheid er niet is, dat het geen zin heeft om ernaar op zoek te gaan: want de aan- of afwezigheid ervan wordt door alle personages (en door de kijker) gevoeld, en de drang om ernaar op zoek te gaan is veel groter dan wat het gezond verstand dicteert.
Het probleem lijkt uiteindelijk te zijn dat de neiging om te willen ontmaskeren een op den duur onhoudbare beweging wordt. De voile van de schijn kan niet zomaar weggetrokken worden om zomaar de waarheid te onthullen. Schijn is deel van de waarheid. Het doorzien van de schijn (of het doorzien worden) brengt je weinig dichter bij iets werkelijks. Hoe meer je probeert, hoe verwarrender het wordt, hoe dieper de kloof zich opent onder je voeten. Je kan het ene niet van het andere scheiden, want ze zijn één. Het rollenspel in Persona is geen cynisch aannemen en afwerpen van rollen. Het inzicht dat een rol maar een rol is, is vernietigend, maar ook onoverkomelijk. Er gaapt een enorme leegte.
- Mik Schelstraete
Fantômas
Deze tekst kwam tot stand in samenwerking met Fantômas.
Fantômas is een platform voor onafhankelijke filmkritiek dat reflecteert op een verscheidenheid aan filmculturen in België en daarbuiten. Het is een plek om je te verwonderen en te verdiepen in de wereld van film, je te laten verrassen door nieuwe vormen en contexten, en je te spiegelen aan interessante meningen en stemmen.