Le Rayon vert (1986)
Als er iets is wat de Fransen zeer goed kunnen, dan is het praten. De helden en heldinnen in films van Eric Rohmer zijn daar echte kunstenaars in. Het feit dat ze ondanks hun babbelziekte niet noodzakelijk iets zinnigs te vertellen hebben, doet geen afbreuk aan hun verbale virtuositeit. Ze zijn ook briljant in het zelfbedrog: het zijn doorgaans verstandige mensen maar ze gaan dermate op in de filosofietjes die ze voor zichzelf gecreëerd hebben, dat ze totaal geen voeling meer hebben voor wat hen werkelijk motiveert. In al de films in de cyclus Comédies et proverbes komt het moment dat hun intellectuele weerstand breekt en ze eindelijk hun waarachtige gevoelens onder ogen zien.
Le Rayon vert is daar zeker geen uitzondering op. Vrij uniek in het werk van Rohmer is dat alles draait rond één personage: Delphine (Marie Rivière), twintiger en secretaresse van beroep. In de steek gelaten door haar vriendje, valt ook hun geplande vakantie in Griekenland in het water. Terwijl Parijs tijdens de hete julimaand leegloopt, trekt ook Delphine eropuit. Twee maanden lang reist ze (Rohmer deelt haar wedervaren op in dagen) doelloos van de ene vakantieplek naar de andere – Cherbourg, de Alpen, Biarritz – zonder te vinden wat ze zoekt. Telkens is ze ook haar nieuwe omgeving tot last. Ze heeft een gloeiende hekel aan reizen in haar eentje maar kan groepsreizen nog minder uitstaan. Hoe meer vrienden en kennissen haar uit haar malaise willen helpen, hoe meer ze er moedwillig in verdrinkt.
Langzamerhand geeft de neurotische en overdreven kieskeurige Delphine ook haar geheim prijs: ze houdt helemaal niet van vluchtige avontuurtjes maar hunkert naar ware langdurige liefde. En wachtend op dit mirakel is ze tot geen enkel compromis bereid. Op het strand van Biarritz waar de monokini welig tiert ontmoet ze een vrijgevochten Zweedse vrouw die met haar goede raad alleen maar haar eenzaamheid uitvergroot.
Le Rayon vert opent met een citaat van Rimbaud – “Ah! Que le temps vienne où les coeurs s’éprennent” – dat ironisch werkt. Waar Rimbaud spreekt over het moment waarop harten ‘ontbranden’, zit Delphine net vast in een toestand waarin dat onmogelijk lijkt. De hele film wordt dan een uitstel van die belofte.
De titel Le Rayon vert is ontleend aan een roman van Jules Verne en duidt op het zeldzaam fenomeen van de groene lichtflits die soms verschijnt als de zon bij zeer helder weer in de zee zakt. Op een bank geven vier oudjes hun visie op het fenomeen. Volgens Verne én Delphine, die hun gesprek toevallig opving, krijg je op dat moment een inzicht in je eigen gevoelens en die van anderen en kan een jong meisje in het hart van haar verliefde kijken. Dat “groene licht” functioneert bijna als een deus ex machina: een zeldzaam, misschien zelfs twijfelachtig fenomeen dat plots betekenis verleent aan alles wat ervoor kwam.
In Le Rayon vert wordt omslachtig en grillig naar dit moment van liefdesopenbaring toe gebouwd. In precaire omstandigheden op 16 mm gedraaid en samengesteld uit lange, spontane discussies is deze eerste van a tot z geïmproviseerde film van Rohmer een van zijn meest experimentele en persoonlijke werken. In geen enkele van zijn fictiefilms is de documentairestijl zo overheersend. Wat overduidelijk te merken is aan het camerawerk: weinig of geen statische shots, wel veel shots waarin de camera mee zwenkt met de personages of tijdens gesprekken inzoomt op een van de deelnemers. Kortom, veel fly-on-the-wall shots. Delphines zoektocht naar een geschikte vakantieplek levert quasi miniatuurreportages op van hoe thuisblijvende families in de provincie of op het platteland van het mooie weer genieten of hoe de Fransen hun verlof doorbrengen aan zee. Vooral de scènes op het drukke strand in Biarritz inspireren Rohmer tot filmtechnieken die doorgaans taboe voor hem zijn, zoals de telelensopnamen van een massa op elkaar gepropte Fransen in zee. Deze documentaire-stijl botst ook met Delphines innerlijke drama. De wereld is banaal, zonnig, vol vakantiegangers; haar crisis is dat totaal niet, wat aan de film zijn spanning geeft.
Paradoxaal genoeg maakt Rohmer uitgerekend in deze docu-fictie uitzonderlijk gebruik van non-diëgetische muziek (muziek die niet gehoord wordt door de personages, maar alleen door het publiek). Zuinig weliswaar, met enkel af en toe een vioolstukje.
Het is ook de film met de protagonist met het meeste zelfbeklag. Delphine krijgt geregeld een huilbui, iets waar haar omgeving niet goed weet op te reageren. Maar gelukkig ondermijnt Rohmer haar chagrijn met de nodige ironische spot. Zo zit Delphine in al haar tristesse in de wachtzaal in het station uitgerekend De idioot van Dostojevski te lezen. Dat moment functioneert bijna als een ironische spiegel: Delphine ziet zichzelf als gevoelig en authentiek, maar Rohmer suggereert subtiel hoe haar houding ook iets wereldvreemds heeft. “Ik ben functioneel maar niet operationeel”, weet ze haar dilemma te verwoorden.
Rohmer was tijdens de opnamen uitzonderlijk niet zeker van zijn stuk en was dan ook verbaasd toen deze ogenschijnlijk losse en fragiele film op de Mostra van Venetië de Gouden Leeuw won en na een betwiste voorvertoning op Canal Plus een onverhoopt succes werd in de Franse bioscopen. Met de jaren groeide ook de reputatie van dit snel gedraaid tussendoortje, en werd het een van de favorieten van vele Rohmer adepten.
Patrick Duynslaegher
Van 1972 tot 2011 was Patrick Duynslaegher filmcriticus voor Knack magazine, waar hij van 2001 tot 2011 hoofdredacteur van Knack Focus was. Van 2011 tot 2018 was hij artistiek directeur van Film Fest Gent. Hij schreef onder meer voor Sight & Sound, the International Film Guide, Variety en Vrij Nederland. Hij is de auteur van vier boeken, een over André Delvaux’s Vrouw tussen hond en wolf, een verzameling reviews, een overzicht van 100 jaar cinema in reviews en een kritische studie over het werk van Martin Scorsese.