Brothers of the Night: Een gedurfd gestileerde docu/speelfilm als One Shot Cinema in november

P1btplg9fc1ji1puh17gs1i328i31
Nieuws 31 okt 2017
'Brothers of the Night', de One Shot Cinema-film van november (donderdag 2, 9,16, 23 en 30 november) in Sphinx Cinema, is een gedurfd gestileerde docu/speelfilm-mix over jongensprostitutie in Wenen en een wondermooi staaltje van Queer Cinema esthetiek. 'Brothers of the Night' wordt vertoond op 2, 9,16, 23 en 30 november in Sphinx Cinema.

Deze 'Brüder der Nacht', om aan de originele Duitse titel te refereren, zijn jonge, uit Bulgarije afkomstige Roma die zich in Wenen prostitueren om de eindjes aan elkaar te knopen. Ze zijn naar Oostenrijk afgezakt om werk te zoeken, wat ze niet gelukt is, zodat ze alleen nog hun eigen lijf kunnen verkopen aan meer kapitaalkrachtige lieden om zodoende toch nog geld te kunnen opsturen naar hun achtergebleven families. Regisseur Patric Chiha voert zo’n groepje van 20- tot 25-jarige jongens ten tonele die rondhangen in bars en cafés, langs de dokken slenteren, op een quasi onverschillige manier met oudere mannen flirten.

Chiha wijdt aan Yonko, Vassili, Stefan, Nikolay, Assen en hun maten geen sociaal realistische reportage, hij gaat integendeel hun omgeving extreem stileren en hij laat de jongens kunstmatige poses aannemen die hun een quasi mythische status geven, zodat ze volledig passen in een Queer iconografie die we ook terugvinden in het werk van Rainer Werner Fassbinder, Kenneth Anger, Pier Paolo Pasolini, Jean Cocteau, in 'Pink Narcissus' (1971) van James Bidgood en in de foto’s van Pierre & Gilles. Die stilering maakt er 'Brothers of the Night' niet minder authentiek om.

"Het is niet omdat alles er grijs uitziet en de camera aan het schudden gaat dat cinema realistischer wordt,"

zegt de in Wenen geboren Libanees-Hongaarse regisseur over zijn anti-naturalistische keuzes in deze bijzonder geslaagde docu/fictie hybride.

In plaats van ze te observeren en op conventionele wijze te interviewen, laat de cineast deze jongens hun ervaringen en getuigenissen zelf in scène zetten, soms op de echte locaties, soms in decors. Aangezien ze zich beroepshalve al anders moeten voordoen dan ze zijn en ze voor hun klanten wisselende identiteiten moeten aannemen - verwijfd of macho, teder of ruw, onschuldig of gevaarlijk - lenen ze zich met brio tot deze geënsceneerde reconstructie van een leven vol avontuur en opwinding, zonder dat deze kitscherige glamouruitbeelding de groezelige realiteit en scabreuze seksualiteit verdoezelt.

Het contrast tussen de harde economische realiteit van hun fysieke transacties (het reduceren van hun lichaam tot koopwaar) en het theatraliseren van hun zelfbeeld, is precies wat 'Brothers of the Night' zo sterk maakt. Alles en iedereen is te koop in deze nachtelijke havenbuurt waar deze Bulgaarse hoerenjongens die nauwelijks een mondje Duits praten, pronken met hun uitdagende charme en hun obsessie om een auto of een vrouw te kopen. Ze dromen van een normaal leven, vallen als kinderen naast elkaar in slaap, tonen op hun smartphone (waarvan het lumineuze schermpje contrasteert met de duisternis die over de film hangt) foto’s van hun kinderen en familie, beweren dat ze zelf niet homo zijn. Wat ze met hun klanten doen of laten doen, wordt nooit getoond, maar wel zonder schroom in detail verteld alsof het de natuurlijkste zaak ter wereld betreft.

"Chiha kiest voor artificiële tableaus waarin stoere ventjes in leren jekkers of retro-matrozenpakjes ervaringen uitwisselen terwijl de rookmachines op de set overuren kloppen."

De film opent met een nachtelijke scène aan de oever van de Donau met op de achtergrond muziek van Gustav Mahler. Wat minder echo’s oproept aan hoe Luchino Visconti in 'Death in Venice' (1971) de Duitse componist gebruikte om zijn pederastische thematiek te sublimeren, dan hoe Rainer Werner Fassbinder in de beginscènes van zijn meest wanhopige film 'In einem Jahr mit 13 Monden' (1978) zijn ‘omgebouwde’ protagonist Elvira met trippelpasjes aan de oever van de Main in Frankfort laat sukkelen op de plechtige tonen van Adagio 2 uit Mahlers Vijfde Symphonie.

De wijze waarop de regisseur met weinig middelen en des te meer vernuft de jongens in beeld brengt zoals ze in de fantasieën van hun klanten tot leven komen is vooral schatplichtig aan de esthetiek van de Nieuwe Theatraliteit die de vroege films van Fassbinder typeerde, maar vooral ook het werk van Werner Schroeter ('Der Tod der Maria Malibran', 1972; 'Der Rosenkönig', 1986) en Daniel Schmid ('Heute Nacht oder nie', 1972; 'La Paloma', 1974). Dat levert verhevigd artificiële tableaus op waarin stoere ventjes in leren jekkers of retro-matrozenpakjes ervaringen uitwisselen terwijl ze door blauw, paars of oranje licht gestreeld worden en de rookmachines op de set overuren kloppen. Zonder de dupe te zijn, genieten ze zichtbaar van het verlangen dat ze bij hun klanten opwekken en van het nachtelijk theater dat ze opvoeren in een gesloten achterkamertje van de Europese immigratie.

Donderdag 2, 9,16, 23 en 30 november om 20u in Sphinx, Gent.