World soundtrack awards
Geen filmkunst zonder filmkritiek
Geen filmkunst zonder filmkritiek
deel dit artikel

Dat het toonaangevende onafhankelijke Amerikaanse filmblad 'Film Comment' stilaan ten grave wordt gedragen, na een laatste ogenschijnlijke hamerslag door het coronavirus, doet opnieuw zorgen baren over het voortbestaan van de filmkritiek. Michiel Philippaerts, kortfilmprogrammator bij Film Fest Gent, verdedigt daarom de nood daaraan en de verrijkende deugd ervan voor u met vuur. 

Film Comment

Op vrijdag 27 maart stuurde het Film at Lincoln Center, de filmvereniging die het New Yorkse filmfestival en New Directors/New Films huisvest, een persbericht uit: “A COVID-19 update from Film at Lincoln Center”. Een standaard persbericht in deze akelige tijden van corona: over het sluiten van hun zalen, het uitstellen van hun jaarlijkse Chaplin Award Gala en andere verregaande, verschrikkelijke besparingsmaatregelen zoals het ontslag van 50% van hun vaste medewerkers en alle tijdelijke medewerkers. De voorlaatste paragraaf werd gereserveerd voor meer groot nieuws, dat echter zo terloops in drie pietluttige regeltjes werd aangehaald, dat ik het enkel op volgende wijze interpreteren kon: “By the way, we stoppen ook met ons filmblad Film Comment – ciaokes, doei.”

Dat het bericht werd verstuurd op het einde van een vrijdagnamiddag versterkt de vermoedens dat de organisatie hoopte op een soort van verdoezeling van hun genomen acties. Dat was helaas buiten Film Twitter gerekend, de onlinegemeenschap van diehard-cinefielen op Twitter. Het nieuws werd vliegensvlug opgepikt en al snel werd de zeer terechte vraag gesteld hoe een van de belangrijkste filmbladen ter wereld, met een geschiedenis van bijna 60 jaar, zo langs de neus weg tot het schavot veroordeeld kon worden. Toegegeven, er werd door Film at Lincoln Center gesproken over een herdachte versie die verder online zijn leven zou kunnen leiden, maar ook over de concrete implicaties van deze beslissing werd vaag gecommuniceerd. Er lekten vertrouwelijke mails en langzaam werd duidelijk dat lang voor de coronacrisis voet aan wal kreeg in de VS er al duidelijke plannen waren geweest voor het opdoeken van de gedrukte versie van het filmblad.

En zo geschiedde. In nauwelijks enkele maanden verloren twee van de drie filmbladen uit de Heilige Drievuldigheid van de Kwaliteitsvolle Filmkritiek hun huidige vorm: het Franse Cahiers du Cinéma werd opgekocht door een groep van negentien zakenmensen, waaronder filmproducenten. Daardoor stapte de voltallige redactie in februari op, terwijl in maart, onder het mom van de pandemie, het Amerikaanse Film Comment op een ‘indefinite hiatus’ ging. Enkel het Britse Sight & Sound houdt – voorlopig – nog stand. Dat ook het Canadese Cinema Scope van Mark Peranson, de nieuwbakken voorzitter van het selectiecomité van het Berlijnse filmfestival, recent een alarmerende oproep lanceerde bij de aankondiging van hun nieuwe nummer mag geen verrassing zijn. Wereldwijd staat het water aan de lippen van publicaties die op een serieuze manier over cinema trachten te schrijven. En dat is een verlies.

Belang van filmkritiek

Het aantonen van het belang van gedegen filmkritiek en -analyse lijkt me veeleer open deuren intrappen, toch? Tegelijkertijd wordt dat belang tegenwoordig meermaals in vraag gesteld, vooral in deze tijd dat bepaalde opiniemakers er ons van trachten te overtuigen dat enige culturele kennis of ‘acquired taste’ gepaard gaat met snobisme, of erger, elitarisme. Ondertussen maken nijpende budgetten en een verschroeiende commerce dat zelfs online publicaties met enige sérieux maar al te vaak teruggrijpen naar snel herwerkte persberichten en quasi-infantiele filmtrivia, vermomd als ‘nieuws’. Content blijkt hier het keyword. Zo glijdt filmkritiek langzaam af tot verdoken filmpromotie: het is die abjecte belangenvermenging die hoofdredacteur Stéphane Delorme aankaartte in zijn vurige openingswoord van het maartnummer van Cahiers du Cinéma. Hoe kunnen wij ons werk doen terwijl we de adem van de filmproducenten in onze nek voelen? “Nous ne voulons pas devenir la vitrine du cinéma d’auteur français.”

Verwacht en gevreesd wordt dat Film Comment hetzelfde lot beschoren is. Ondertussen startte Film on Lincoln Center een inzamelactie om het voortbestaan van het blad te garanderen. Maar zoals erudiet filmcriticus en notoir Twitteraar Nick Pinkerton terecht opmerkte, is er nergens sprake van een vrijwaring: wat er met het ingezamelde bedrag zal gebeuren, is tot op van vandaag geheel onduidelijk. Dat het New Yorkse blad nog geen maand na de aanstelling van Eugene Hernandez, een van de medeoprichters van Indiewire, voor de bijl gaat, lijkt tevens geen verrassing. Deze filmsite zou opgericht zijn om ‘de onafhankelijke film’ te verdedigen, te becommentariëren en te bekritiseren. Helaas, Indiewire verzandde al snel in de zoveelste promotietool van de gigantische Hollywoodfabriek en kwaliteitskritiek is er ondertussen moeilijk te vinden tussen al het Marvelnieuws en ‘branded content’.

Let wel, het gaat hier niet over de vaak gepassioneerde filmpers in de reguliere media, maar over de gespecialiseerde bladen of sites. Ook is het geen aanval op de meer laagdrempelige alternatieven, want binnen het landschap moet er plaats zijn voor alle initiatieven. Het enorme belang van de grote en kleine filmsites die meer hapklare informatie verstrekken aan heel wat filmliefhebbers die niet het privilege, tijd of interesse hebben om zich in bepaalde niches van de cinemawereld te verdiepen, kan door niemand betwist worden. We moeten er ons voor behoeden dat de discussie zo niet ontaardt in een archaïsch getouwtrek waarin de relevantie van verschillende publicaties tegenover mekaar wordt afgewogen. Maar de pijnlijke constatering is nu eenmaal dat het niet deze filmmagazines of -websites zijn waarvan de bestaansreden in vraag wordt gesteld, maar die van de kwaliteitskritiek: zij die een strenge, gecompliceerde verhouding met de kunstvorm aangaan en de artistieke kwaliteiten van een werk onder de loep durven houden.

Nieuwe soort

Bovendien is er door de komst van Rotten Tomatoes een bedenkelijk systeem ontstaan waarbij filmkritiek wordt gereduceerd tot een binair stelsel: een film krijgt ofwel een rotte tomaat, ofwel een verse. Wat de critici schrijven over de film doet er plots niet meer toe, want het discours over de Zevende Kunst wordt vereenvoudigd tot eentjes en nulletjes. Roger Eberts adagium “film criticism is important because films are important” lijkt niet langer te volstaan, de criticus dient opnieuw de relevantie van zijn werk te bewijzen.

Is het niet juist zo dat de filmkritiek, door te interageren met het medium dat ons zo nauw aan ons hart ligt, de filmkunst verder in leven houdt? Scherpe analyse kan onze filmervaring verrijken, want wanneer we de artistieke beslissingen van de regisseur, acteur of producent een plaats kunnen geven, komen we tot een diepere verstandhouding met de film. Wanneer we kunnen doordringen tot het kloppend hart van een werk plukken we de vruchten; plots komt er een interessante wisselwerking tot stand. En als cinema oproept tot empathie en een dieper begrijpen van de medemens, dan is het aan de filmkritiek om dat begrijpen te formuleren en – beter nog – te analyseren hoe de filmmaker die empathie oproept, gebruikt of misbruikt. De ontleding van de mise-en-scène en de filmgrammatica kan de kijker zo niet alleen een bijzonder esthetisch genot opleveren, maar behoedt hem of haar voor de ficties, de gevaren en de propaganda die steeds sluimerend op de loer liggen in deze allesomvattende beeldcultuur.

Cinefilie

Cinefilie is voorts meer dan ‘houden van’: het is een bezigheid, een denken over cinema in een constante staat van verandering. De Nieuwe Cinefilie waarover Girish Shambu vorig jaar schreef in Film Quarterly positioneert zich daarbij heel duidelijk binnen de bestaande wereld, die zowel URL (online) als IRL (in real life) een leven leidt. Het gaat over een liefde voor film die nooit de voeling verliest met de wereldwijde ‘stand van zaken’, een vurige passie die tegelijkertijd vervuld is van een helder besef dat “de wereld groter en veel belangrijker is dan cinema”. Ook binnen dit kader is de waarde van filmkritiek onweerlegbaar: de brede sociaal-politieke vraagstukken die door het prisma van de cinema worden geadresseerd, verdienen én behoeven een kritisch weerwoord.

Filmkritiek in Vlaanderen

Al die paragrafen, enkel en alleen om een warme oproep te kunnen verwoorden: steun de filmkritiek. U hoeft het niet eens zo ver te gaan zoeken. Alleen al in Vlaanderen zijn er initiatieven in overvloed. Zo denk ik dat een filmblad als Filmmagie bijzonder vormend is geweest voor een grote groep Vlaamse filmliefhebbers: mij leerden ze als tiener alvast met een scherpe blik te kijken naar het oeuvre van Quentin Tarantino, waarbij bewondering perfect samen kan lopen met kritische bevraging. Gelijktijdig lieten ze me kennismaken met het werk van Eric Rohmer en John Ford – én dat van Nuri Bilge Ceylan en Apichatpong Weerasethakul. Ze openden deuren voor mij en blijven dat hopelijk doen voor vele jonge cinefielen in het land. Recentelijk vierden ze hun 700ste uitgave, ze zijn nog steeds in druk. Een jaarabonnement van tien nummers kost €65, voor een student wordt dat €50.

Ook online kwalitatief sterke filmmagazines: ik denk dan aan mijn goede vrienden van Kortfilm.be, die er eigenhandig in slaagden het kortfilmmedium te bevrijden uit de klauwen van de stiefmoederlijke behandeling. Werkende met een kleine poule van vrijwillige schrijvers, die zeer goed begrijpen dat de kortfilm een aparte kunstvorm betreft, publiceren ze spitsvondige en intelligentie recensies, essays en interviews. Sabzian, dat me onlangs dankzij hun sterke vertalingen leerde kennismaken met de inzichtelijke filmkritiek van de Duitse Frieda Grafe – de “Königin der deutschen Filmpublizistik” – is een andere belangrijke speler die niet vergeten mag worden. Ook dit platform, dat de steeds veranderende aard van een brandende cinefilie en zijn relatie met de buitenwereld tracht te onderzoeken, steunt op het harde werk van een groep vrijwilligers. Hun teksten staan gratis online, maar eenmalige donaties of doorlopende opdrachten kunnen hun groei vrijwaren.

Cinea, de Vlaamse Dienst voor Filmcultuur en organisator van het Zomerfilmcollege en Classics Restored, verspreidt via zijn online filmmagazine Photogénie meer sterke, essayistische filmkritiek en -analyse. Door het organiseren van Young Critics workshops tijdens Film Fest Gent en MOOOV maken ze bovendien dat het Heilige Werk wordt verdergezet: onder professionele begeleiding krijgt jong schrijftalent de kans om zijn of haar pen en geest te scherpen. Dat de vele alumni van de afgelopen jaren vlot hun weg vonden naar (veeleer online) filmmagazines als MUBI, Little White Lies en Electric Ghost Magazine bewijst naast het nut ook de ongelofelijke kwaliteit van de aangeboden workshops.

Bovengenoemde magazines worden daarbij gelukkig gesteund door het VAF, dat goed begrepen heeft dat filmkritiek steun verdient. Met initiatieven als Kinoautomat en Breedbeeld groeit de lijst verder aan en het is geheel plausibel dat ik in mijn enthousiasme andere waardevolle initiatieven vergeet. Het bewijst alleszins dat Marc Diddens beruchte uitspraak ondertussen niet meer opgaat: “Als er iets middelmatiger is dan de Vlaamse film, dan is het de Vlaamse filmkritiek.” Voldoende initiatieven, allemaal met een geldige bestaansreden en stuk voor stuk gedragen door hardwerkende critici, die lang worstelen met hun tekst voor ze die publiceren. Opdat de lezer komt tot een dieper begrijpen van het besproken werk. Of soms, van de cinema.

Ach, uiteindelijk zie ik er de ironie ook wel van in: zelfs een gematigd cynicus doorprikt de opgelaten ballon van dit betoog. De tekst zal immers gepubliceerd worden op de officiële website van Film Fest Gent en bijgevolg gelezen worden door een diverse mengeling van cinefielen, die (hopelijk) niet meer overtuigd moeten worden van het belang van filmkritiek. “Preaching to the choir” noemen ze dat. Maar mag ik, met ‘slechts’ zesentwintig jaar op de teller, ook niet een klein beetje kinderlijke naïviteit tentoonspreiden en hopen dat een tekst als deze íets in gang zet? Al is het maar een bescheiden ‘klik!’ in het hoofd van die ene lezer die volhoudt tot het einde, tot de laatste paragraaf, tot de laatste zin, tot het laatste woord. 

Foto's

Online communicatie door Lavagraphics