Kinepolis ING
World soundtrack awardsWSA
Cinéclub: La Mariée était en noir (1967)
Cinéclub: La Mariée était en noir (1967) Filmnieuws
deel dit artikel

Elke maand stelt artistiek directeur van Film Fest Gent Patrick Duynslaegher in Ciné-club Studio 5 in het Brusselse Flagey een van zijn favoriete films voor. Donderdag 27 oktober is het de beurt aan François Truffauts ‘La mariée était en noir’, een van zijn meest onderschatte films, ook door de regisseur zelf.

‘The Bride Wore Black’, een série noire roman van William Irish, die François Truffaut als kind in ’t geniep gelezen had, leverde de springplank voor dit zwartgallige sprookje vol donkere romantiek en gehuld in een bedrieglijk zonnige verpakking. Voor een lyrische Truffaut is de bewonderde schrijver “een dichter van donker en duister, een kunstenaar van de angst, het afgrijzen en de slapeloze nachten”.

Jeanne Moreau speelt de heuglijke titelrol in ‘La mariée était en noir’, een jonge vrouw, Julie Kohler, wiens echtgenoot uitgerekend de dag van hun huwelijk op de kerktrappen door een geheimzinnige belager wordt neergeknald. Vijf mannen blijken betrokken te zijn bij zijn dood, veroorzaakt door een stom ongeval met een jachtgeweer. Een voor een worden ze koelbloedig door de wraakengel geëxecuteerd. Extreme en monomane passie is altijd een van de stokpaardjes geweest van de regisseur van ‘La peau douce’ (1964),  ‘Les deux Anglaises et le continent’ (1971) en ‘La femme d’à côté’ (1981). Ook ‘La mariée’ wordt voortgestuwd door een vorm van absolute liefde. Julie Kohler heeft maar een doel voor ogen: het wreken van de dood van haar kersverse echtgenoot, haar grote, haar enige liefde. Voor elke nieuwe moord neemt ze een ook een nieuwe identiteit aan, speelt ze een andere rol, een ander vrouwentype dat tegemoetkomt aan het ideale vrouwenbeeld van haar slachtoffers. Zodra ze weer een schuldige uit de weg ruimde, schrapt ze werktuiglijk zijn naam in haar zwart notitieboekje, alsof het om een onschuldig boodschappenlijstje gaat.

Slechts één keer lijkt Julie uit haar lood geslagen: wanneer Fergus, een van haar prooien, opbiecht dat hij verliefd is op haar. Het is meteen ook het grote emotionele moment in de film, want wat Julie, verblind door de haat, niet weet, maar de toeschouwer wèl is dat Fergus in de moordscène de enige van het gezelschap is die aanvoelt (zonder dat Truffaut daar enige dialoog voor nodig heeft) dat er een catastrofe in de lucht hangt. Hoe divers de types die ze ook speelt, Jeanne Moreau draagt in deze kleurenfilm alleen maar kleren in zwart-wit, wat Julie’s absolutisme alleen maar in de verf zet. Terwijl ze zelf wroeging noch twijfel kent, is het alsof  de combinatie van zwart en wit haar onderdrukte innerlijke strijd (wit voor de zuiverheid van haar motieven, zwart voor het duistere van haar daden) aan de oppervlakte brengt.

Truffaut doorbreekt de mogelijke eentonigheid en voorspelbaarheid van een opsomming van vijf moorden door een ingenieuze structuur waarin de toeschouwer een relatief lange tijd in het ongewisse wordt gelaten over de drijfveren van Moreaus wraakqueeste. De film opent met de radeloze geste waarmee Julie zich van het leven wil beroven. Volgt de eerste moord in Cannes en pas tijdens de tweede moord onthult Moreau aan de stervende Michel Bouquet haar echte identiteit en krijgen we een eerste flashback naar de tragische gebeurtenis die haar leven en haar persoon veranderde. Vanaf nu is er niet langer het mysterie van haar daden en wordt dit vervangen door de suspense van hoe ze haar volgende moorden zal plegen. Haar geplande vierde moord, wordt op het allerlaatste moment verijdeld door de arrestatie van het potentiële slachtoffer.  Even lijkt het erop dat ze haar lijstje niet zal kunnen afmaken, maar dan komt het sarcastische orgelpunt in de vorm van een verrassende maar volstrekt logische climax. In de oorspronkelijke roman van Irish bleek dat de mannen die Julie had  omgebracht  niets met de dood van haar man te maken hadden; bij Truffaut zijn het wel de juiste mannen, al zijn ze misschien niet schuldig aan de misdaad die hen ten laste wordt gelegd.

Na het commercieel debacle van ‘Fahrenheit 451’ (1966), zijn eerste en enige Engelstalig filmavontuur, probeerde François Truffaut zich te herpakken met ‘La mariée était en noir’. De film werd onverwacht een groot succes, zodat Truffaut zijn productiemaatschappij Les Films du Carrosse draaiende wist te houden. Onverwacht omdat de opnamen niet vlekkeloos verliepen en Truffaut zelf zeer ontevreden was met het resultaat. Altijd zeer lucide in het evalueren en bekritiseren van zijn eigen werk vond hij verschillende oorzaken waarom de film in zijn ogen niet ‘werkte’.

Na enkele draaidagen kreeg de regisseur al ruzie met zijn cameraman Raoul Coutard (vooral befaamd voor zijn samenwerking met Jean-Luc Godard). Hij was gefrustreerd omdat hij zo weinig tijd had voor de zes acteurs met wie hij altijd al had willen werken (Claude Rich, Michel Bouquet, Michael Lonsdale, Daniel Boulanger en Charles Denner als de vijf moordenaars, Jean-Claude Brialy als een van hun vrienden) en die slechts enkele dagen op de set in Lyon, Cannes en Parijs vertoefden. Hij voelde zich ook schuldig omdat hij er niet in geslaagd was om zijn steractrice te ‘verheerlijken’; Moreau, ooit ten tijde van ‘Jules et Jim’ (1961) zijn minnares, nu een intieme vriendin, zag er in zijn ogen vermoeid uit en ook de zwart-wit garderobe van Pierre Cardin maakte er haar niet mooier op. Truffaut vond dat hij de film in zwart-wit had moeten draaien omdat de kleur er elk mysterie had uitgehaald. Hij vond het achteraf ook geen geschikte rol voor Jeanne Moreau die op haar best is als ze praat, lacht, beweegt, leeft. Terwijl ze hier geen rol speelt maar een beeld. Om al die redenen was ‘La mariée était en noir’ een film waar hij liefst niet aan herinnerd werd.

(Gelukkig belette dit niet dat Truffaut twee jaar later een andere roman van Irish verfilmde, ‘Waltz into Darkness’, met als Franse titel ‘La sirène du Mississipi’, een nog betere film dan ‘La mariée était en noir’, en ook een film waar hij geen hoge pet van op had).

Sta me toe het met Truffaut oneens te zijn. ‘La mariée était en noir’ demonstreert Truffauts grote visuele vertelkunst. Truffaut publiceerde in 1966 zijn intussen beroemd geworden interviewboek met Alfred Hitchcock (waar Kent Jones in 2015 zelfs een onthullende documentaire aan wijdde). Dit is de eerste film waarin hij de cinematografische lessen van de meester (van het uiterst expressieve camerawerk, het fel dramatische gebruik van kleur, tot de obsederende score van Bernard Herrmann) moeiteloos in zijn eigen gevoelswereld weet te verwerken.

Een van de dingen die Truffaut het meest bewonderde in Hitchcock was zijn helderheid in het vertellen maar ook in zijn beeldtaal. ‘La mariée’ is een mooi staaltje van hoe goed hij die lessen geassimileerd heeft. Zo dwingend en logisch voorgesteld is de wraak van Julie dat Truffaut het niet nodig acht om uit te leggen hoe ze de vijf mannen die ze wil doden identificeerde. Hij maakt er zich met een pirouette vanaf: een vluchtige repliek die suggereert dat dit niet van een leien dakje liep.

De film zit ook vol scènes die in een visueel gebalde stijl bijzonder krachtig zijn en iets doen wat alleen cinema kan. Om maar een voorbeeldje te noemen: op het einde van de enige scène waarin de vijf mannen samen te zien zijn, wordt gezegd: ‘Ze besloten uit elkaar te gaan en elkaar nooit meer terug te zien.’ Waarop de vijf mannen gehaast een ijzeren buitentrap afdalen en eens ze beneden zijn in alle richtingen van elkaar weglopen.

Ook typisch Hitchcock is de paradox dat het om een liefdesfilm gaat waarin geen enkele liefdesscène te zien is. Het gaat om een liefde in de verleden tijd. Zoals vertolkt door Jeanne Moreau is Julie vaak meer een verschijning; ze is bijna een levende dode die alleen overleeft om haar man te wreken.
Nog hitchcockiaans is het belang van de locatie bij iedere moord, die telkens met een grimmige logica voortvloeit uit de mogelijkheden die de plek waar ze plaatsgrijpt te bieden heeft: het terras in het chique flatgebouw aan de Riviera waar Claude Rich te pletter stort; het huis op het platteland met de muurkast onder de trap waarin Michael Lonsdale de verstikkingsdood sterft; de sjofele vrijgezellenkamer in het dorpje in de bergen waar Michel Bouquet vergiftigd wordt; het schildersatelier waar Charles Denner dodelijk getroffen wordt door de pijl van Julie die voor hem poseerde als Diana, godin van de jacht; de gevangeniscel waarin Daniel Boulanger met messteken wordt afgemaakt.
De laatste twee moorden gebeuren trouwens integraal off screen: Truffaut weet beter dan wie ook de toeschouwer te prikkelen met wat hij pas achteraf ziet of zelfs helemaal niet te zien krijgt.
De scène waarin Jeanne Moreau gadeslaat hoe de man die ze vergiftigde langzaam uitdooft, leverde Truffaut zelfs de bewondering van zijn leermeester op. In een brief schreef Hitchcock hoezeer hij van dit moment genoten had, eraan toevoegend dat hij het ‘plezier’ nog een beetje had gerekt door Moreau zorgvuldig een kussen onder Bouquets hoofd te laten schuiven, zodat hij iets comfortabeler stierf. 

‘La mariée était en noir’, donderdag 27 oktober om 19u30 in Ciné-club Studio 5, Flagey Brussel. Inleiding en nagesprek door Patrick Duynslaegher.
Reservaties: www.flagey.be  en www.cinematek.be

Patrick Duynslaegher

Patrick Duynslaegher

Van 1972 tot 2011 was Patrick Duynslaegher filmcriticus voor Knack magazine, waar hij van 2001 tot 2011 hoofdredacteur was. Sinds 2011 is hij artistiek directeur van Film Fest Gent. Hij schreef onder meer voor Sight & Sound, the International Film Guide, Variety en Vrij Nederland. Hij is de auteur van vier boeken, een over André Delvaux’s ‘Woman in a Twilight Garden’, een verzameling reviews, een overzicht van 100 jaar cinema in reviews en een kritische studie over het werk van Martin Scorsese.
 

Online communicatie door Lavagraphics